Cogito, ergo Indie sum

Hans
Hans
"Ik denk dat ik het wel kan"

Timesink telg
Hardcore Henry
Junior

Soms vraag ik me af waarom ik na een lange werkdag niet gewoon even een potje Call of Duty opstart. Gewoon, hersenloos knallen, een paar rondjes multiplayer, klaar. Of een paar rondjes Forza, dezelfde bochten, dezelfde auto’s, dezelfde perfecte racelijnen. Het is comfortabel, voorspelbaar, en eerlijk gezegd ook een beetje saai.

En voor ik het weet zit ik wéér op dat paard.

Niet in een hyperrealistische open wereld met ray tracing en 4K-textures, maar in Kingdom. Een spel dat er op papier uitziet alsof het in een middag in elkaar is gezet met pixel art en een minimalistisch muziekje. En toch: daar ga ik weer, muntjes gooien, burgers rekruteren, hopen dat mijn muren de nacht overleven.

Het is bijna gênant hoe goed dat simpele spelletje werkt.

Kingdom Classic, New Lands, Two Crowns—ze doen allemaal hetzelfde trucje. Je beweegt alleen naar links en rechts. Dat is het. Geen skill trees, geen uitgebreide tutorials, geen eindeloze map vol icoontjes die schreeuwen om aandacht, geen drukke lobbies en geen gecompliceerde platformparcours. En toch zit er een spanning in die veel grote titels voor mij allang kwijt zijn. Elke nacht voelt als een gok. Elke investering als een risico. Ga ik die boer upgraden, of toch nog één boogschutter erbij? Maak ik m’n muur ietsje sterker, of zet ik er nog een toren bij.

Het spel zegt niets. Het schrijft je niks voor Het laat je het voelen, het laat het je ervaren, het laat het je beleven. En soms is die beleving ook gewoon een game over die leidt naar een start vanaf 0.

En dat is precies waar het vaak misgaat bij de grote jongens. Alles moet uitgelegd worden. Overal moet gesaved, geautosaved en nog een extra keer gesaved worden want och jee wat als je iets een paar keer opnieuw moet doen. Alles moet groter. Meer content, meer systemen, meer van hetzelfde. Call of Duty voegt elk jaar weer iets toe: een nieuwe modus en een paar gepimpte mechanics maar onder de streep speel je nog steeds dezelfde wedstrijdjes op dezelfde manier. Forza? Fantastisch rijdend, absoluut, het ziet er prachtig uit maar het is ook een checklist op wielen geworden.

En dan is daar ineens Enter the Gungeon die weer herrijst in m’n actieve library ten koste van de hiervoor genoemde quadruple A racing knaller.

Een game die je compleet afstraft, je laat vloeken, en je daarna toch weer één run laat starten. Gewoon nog eentje. Want deze keer… deze keer lukt het misschien wel. Het is chaos, het is absurd, het zit vol wapens die nergens op slaan—en toch voelt elke run uniek. Niet omdat het groter is, maar omdat het slimmer is ontworpen.

Dat is de charme van dit soort indiegames. Ze durven klein te zijn. Ze durven niet alles voor te schrijven maar de speler gewoon lekker te laten ontdekken. Ze bouwen geen speeltuin van honderden uren, maar een mechaniek waarvan je na tien minuten de basis al begrijpt; en na tien uur nog steeds niet volledig beheerst.

Ze respecteren je tijd, maar ook je nieuwsgierigheid.

En misschien is dat wel waarom ik steeds terugkeer naar die simpele pixelkoning op zijn paard. Niet omdat het er beter uitziet dan de nieuwste blockbuster. Niet omdat het meer content heeft.

Maar omdat het me dingen laat voelen die ik in die grote titels steeds minder tegenkom: verrassing, vernieuwing, en de noodzaak tot zelfredzaam vermogen.

En laten we eerlijk zijn: dat is uiteindelijk toch waarom we zijn gaan gamen?

Geschreven door

Hans
Hans
"Ik denk dat ik het wel kan"

Timesink telg
Hardcore Henry
Junior

Coming soon

Recente artikelen

Gerelateerde artikelen